Vormen.
Inleiding.
“Hoe zou ontwaken beperkt kunnen zijn tot zitten of niet zitten?” schreef Dogen in zijn Fukanzazengi. De historische Boeddha gaf aan, onder andere in de Satipatthana Soetra, hoe je in alle omstandigheden kan beoefenen. Dat is precies wat we doen in zen. We maken dan ook geen onderscheid tussen ons wereldse en ons spirituele leven. En toch gelden er in de dojo strikte vormen, en gaan we op een heel welomschreven manier zitten. Wat is de plaats van vormen in zen? Zijn ze belangrijk of niet? En welke rol spelen ze in de beoefening tijdens ons dagelijks leven? Ja, vormen zijn nodig. Maar het is belangrijk je er niet aan te gaan hechten. Bovendien is het essentieel ook te beoefenen zonder vormen, of met vormen die niet als specifieke zen- vormen gezien worden. Daarom spreek ik van een spectrum van vormen, van een beoefening met zeer strikte vormen, over minder strikte, en zelfs vage vormen, tot een beoefening zonder vorm. En ik meen dat het nodig is dat we de verschillende posities in dit spectrum exploreren en ons eigen maken.
Beoefening.
De bedoeling van deze tekst is vooral dit laatste punt te verduidelijken. Toch wil ik even in herinnering brengen hoe we beoefenen. Kort samengevat keren we steeds terug naar het heldere, directe ervaren op dit moment. We laten ons fascineren door het voelen, horen en zien, eerder dan door de gedachten. Zo verliest het denken niet alleen zijn centrale positie in ons functioneren, we houden ook op alles wat ervaren wordt doorheen de bril van het denken, van de concepten te zien. Nu is het zo dat er dikwijls, zelfs wanneer we menen dat de aandacht gericht is op de “fysieke werkelijkheid”, op een onderbewust niveau nog heel wat concepten in stand gehouden worden. De uitgebreide zinnen en verhalen van het denken zijn misschien losgelaten, zowel die over andere momenten en plaatsen, als die over het hier en nu; maar de simpele woorden en beelden blijven nog in functie. Voelen we een ademhaling, zien we een stoel of horen we een vogel, dan wordt dat ervaren bliksemsnel ingekapseld door het concept “adem”, “stoel” of “vogel”. Het is als een etiket dat erop gekleefd wordt zodat het verschijnsel als het ware gearchiveerd kan worden. Met dat etiket is voor het ego alles gezegd. We hoeven niet meer verder te voelen, te kijken of te luisteren; het ervaren verschuift naar de achtergrond en we komen terecht in de virtuele wereld van het weten. Soms zeggen mensen na een tijd zen beoefend te hebben: “En dan? Ik ben nu veel minder afgeleid, en meer aanwezig in het moment. Maar dat is en blijft toch gewoon een adem, stoel, vogel?” We moeten dus voorbij het etiket, doorheen de conceptuele inkapseling gaan. Je zal dan merken dat het voelen van een ademhaling geen “ademhaling” is, het zien van een stoel geen “stoel” en het horen van een vogel geen “vogel”; noch het “voelen van een ademhaling”, het “zien van een stoel” of het “horen van een vogel” noch eender welk ander concept dat het denken opwerpt. Ook “ik” en “wereld” vallen zo door de mand. Heldere, volgehouden aandacht ontmaskert het web van concepten dat het denken over het ongescheiden bestaan legt.
Zenbeoefening is een groots avontuur, dat niet volgens strakke paden verloopt – en zeker niet in een rechte lijn. Bovendien is het een soort van Echternachprocessie, waarbij we afwisselend vooruit en achteruit gaan – maar uiteindelijk toch altijd meer vooruit, dan achteruit. Soms lijkt het alsof we na enkele jaren terug aanbeland zijn op hetzelfde punt, waar we tevoren stonden. Is er dan niets gebeurd ondertussen? In werkelijkheid is het Pad soms spiraalvormig, en lijkt het alleen alsof we op hetzelfde punt zijn beland, maar heeft er toch een verdieping plaatsgevonden. Conceptualisaties van de Weg en van “gerealiseerde stadia” waar het ego zich aan hecht zijn boeiende hindernissen waar iedereen mee geconfronteerd wordt. Ook die gaan voorbij – en komen weer terug. Een gevoel voor humor is essentieel; evenals een diep vertrouwen. Maar ondertussen zal je zelfs als beginner allerlei vruchten plukken van deze beoefening, ook als er nog geen diep inzicht gerezen is.
Waarom vormen?
Zen is een pad dat voert voorbij elk concept, voorbij elk verhaal van het denken, tot een fundamentele bevrijding die het ontwaken wordt genoemd. Dat is natuurlijk waarom we in zazen steeds weer terugkeren naar het voelen van de ademhaling, en via die ademhaling naar alle mogelijke lichamelijke gewaarwordingen, geluiden, visuele waarnemingen, enzovoort.
Vormen kunnen hierbij een grote hulp zijn. Met vormen bedoel ik bijvoorbeeld de exacte houdingen van zazen en kinhin, de houding van de handen wanneer we ons bewegen in de dojo, en de precieze manier waarop we onze schoenen plaatsen. Maar ook bewegingen kunnen een vorm zijn: de manier waarop we binnenkomen in de dojo, groeten, naar onze plaats gaan, groeten, gaan zitten, inzwaaien, groeten en de houding aannemen. Deze vormen werken op verschillende manieren:
-Wanneer je begint met zen, zijn ze nieuw voor je. Als nieuwe bewegingen en houdingen die je aandacht vragen om ze uit te voeren, helpen ze je los te komen uit de manier waarop je al heel lang functioneert: vanuit het verstandelijke, doelgerichte, ego-gestuurde handelen.
-Ook wanneer het nieuwe eraf is, blijven we onze aandacht schenken aan deze vormen. Ondertussen worden ze echter automatisch en onbewust geassocieerd met de zenbeoefening. Denk maar aan de hond van Pavlov, die elke keer wanneer hij gevoederd werd een belletje hoorde. Uiteindelijk volstond het gerinkel om hem te doen kwijlen. Zo kunnen deze vormen ons via het principe van de geconditioneerde reflex, zonder tussenkomst van een bewuste beslissing, afstemmen op het directe ervaren. Er ontstaat zo wel een nieuw patroon, maar het is een bevrijdend patroon dat een open geest met zich mee brengt en de conditioneringen waarin we gevangen zitten, helpt los te laten.
-Veel van deze vormen hebben, hoe nuttig ook voor de beoefening, geen “praktisch nut” vanuit het oogpunt van de rationele geest. Een mooi voorbeeld hiervan is het feit dat we in de dojo parallel met de muren en achter het altaar door gaan. Onze praktische geest kiest normaal voor de kortste weg tussen twee punten. Het maken van een dergelijke omweg is een geschikte manier om deze attitude, van altijd maar voordeel te willen hebben, terug te fluiten en op haar plaats te zetten! En te genieten van elke stap, telkens weer nu.
-Het feit dat de gang van zaken in de dojo zo strikt voorgeschreven is zorgt ervoor dat er geen beslissingen gemaakt hoeven te worden. We moeten ons bijvoorbeeld niet afvragen of we bij het in- en uitzwaaien voor en na zazen de handen met de rug naar onder dan wel naar boven leggen. Zo opent zich een vereenvoudigde ruimte waarin overgave en loslaten zich kunnen realiseren. Ook tijdens sesshins is dit het geval: we volgen gewoon het uurrooster, dag na dag, zonder er ons tegen te verzetten of het in vraag te stellen.
-Doordat we deze vormen eindeloos herhalen krijgen we ook de kans ze werkelijk uit te diepen. Er steeds meer in aanwezig te zijn. De beleving van de eenvoudige groet bij het binnenkomen blijft evolueren, hoelang we ook naar de dojo komen. Ook het slaan van het hout of van de gong, bijvoorbeeld, zijn een uitnodiging om steeds opnieuw in het moment te zijn, steeds tot verdere overgave te komen.
Een levend evenwicht.
Wegens de voordelen die het beoefenen van vormen met zich meebrengt zouden we kunnen besluiten er meer en meer te gaan hanteren. Dat is ook gebeurd in de Japanse zen, en meer recent ook in de Westerse zen die ik als “traditionele zen” aanduid. Maar hier is voorzichtigheid geboden.
Een belangrijke valkuil is gehechtheid aan de vormen. Deze gehechtheid kan ontstaan vanuit een zucht tot exotisme, en de verwarring van spiritualiteit met oosterse cultuur. Los hiervan heb ik vele mensen gekend die compleet vast gingen zitten in de beoefening van vormelijkheden, zonder dat ze echter de ware geest erachter nog begrepen. Ze meenden dat ze vooruitgang maakten op het pad omdat ze steeds meer vormen goed gingen kennen en beheersen. Maar zen gaat niet over kennen en beheersen, het is de praktijk van niet-weten en van loslaten. Vergeet dat nooit.
Nog triester is het te zien hoe sommige beoefenaars zich vanuit deze vormen gaan vastklampen aan een nieuwe identiteit: die van zenmonnik bijvoorbeeld. Een gemiste kans, want zen is niet bedoeld als middel om ons in nieuwe identiteiten te gaan hullen; het is juist de praktijk van het doorzien van elke identificatie.
Verder kunnen mensen met een neiging tot perfectionisme, wanneer ze dit zelf niet beseffen noch hierin begeleid worden, als excellente uitvoerders van rituelen en andere vormelijkheden op een dwaalspoor terecht komen. Zenbeoefening, of wat ervoor doorgaat, kan zo een vehikel worden voor onze hang naar controle, in plaats van te leiden naar een authentiek loslaten.
Verwant aan perfectionisme, dat voor een groot deel op zichzelf betrekking heeft, is de gehechtheid aan orde die aan anderen opgelegd wordt. Ook deze neiging kan zich voeden met het beoefenen van strikte vormelijkheid. We gaan dan eisen dat anderen perfect op hun plaats in de exacte houding gaan zitten, en zich helemaal gedragen volgens de regels – niet omdat dat dat bevorderlijk is voor hun beoefening, maar omdat dat beantwoordt aan onze neiging tot controle, orde, dominantie.
Het allergrootste bezwaar tegen een al te vergaande vervormelijking is echter het feit dat de specifieke beoefening in de dojo zo steeds verder komt te staan van ons dagelijkse leven. De integratie in elk moment van ons leven komt zo op de helling te staan, en onze beoefening dreigt een kasplantje, de dojo een serre te worden. Zen die gevangen zit in een dojo is geen zen maar een aanstellerige hobby. Opnieuw, een gemiste kans.
Natuurlijk, wanneer je voltijds in een traditionele zentempel leeft, bestaat je dagelijkse leven daar misschien uit het opvoeren van rituelen en het dragen van de bijbehorende kledij. In dat geval zijn dat de elementen van je beoefening, en is je praktijk perfect geïntegreerd in je dagelijkse leven. Wanneer je echter niet in een tempel woont en werkt dan is het essentieel je voortdurende beoefening op je reële leven af te stemmen. Ik heb er een rotsvast vertrouwen in dat ook dan je zen zich volkomen kan ontplooien. Trap niet in de val, een romantisch ideaal van een leven in een tempel of als rondtrekkende monnik te gaan koesteren. Voor sommigen kan dat een geschikte levensweg zijn; in de meeste gevallen is het een droombeeld, een verlangen van het ego, dat gewoon wil ontsnappen aan het leven hier en nu. Maar dit leven, dat we nu leiden, precies als het is, doorheen de beoefening transformeren tot een bevrijd bestaan, dat is de praktijk van een fundamenteel ontwaken. En deze weg gaan is gehoor geven aan een authentieke roeping.
Uitgebreide ceremonieën zijn vormelijke elementen die in onze dojo niet meer gebruikt worden. Maar wat is in de dojo het perfecte midden tussen teveel en te weinig vormen? Daar kan je eindeloos over denken en discussiëren. Verschillende evenwichten zijn mogelijk; en een goed evenwicht is altijd levend en nooit star: het kan verschuiven. Hecht je noch aan vorm, noch aan vormeloosheid. Maar de vormen die je wel gebruikt, dien je ook echt te beoefenen, en niet halfslachtig uit te voeren. Zet dus, bijvoorbeeld, je schoenen altijd exact in de rij bij het binnenkomen.