Beetje bij beetje worden er sluiers doorzien. Soms bewust, soms onbewust. Dat is de geleidelijke dimensie van beoefening, van ontwaken.
Maar wanneer laag na laag van concepten ontmaskerd worden, en we in het simpele zijn landen waarin dat denken zich afspeelt, volgt vroeg of laat een fundamentele perspectiefverandering. Dat is de plotse, onmiddellijke dimensie van ontwaken. Het is deze perspectiefverandering die men wel aanduidt als het ontwaken. Het is geen perspectiefverandering die ik heb of realiseer, want het werkelijk doorzien en loslaten van het concept ik IS deze perspectiefverandering. Dit “nieuwe perspectief” is geen nieuwe manier om naar de werkelijkheid te kijken, maar het loslaten van elke manier, van elke conceptuele bril, om naar de werkelijkheid te kijken. Dus ook het concept, dat er iemand naar de werkelijkheid kijkt, is doorzien. Er is op dat moment het besef voorbij woorden dat wat ik werkelijk ben en altijd al was, zowel de ziener is als het geziene; object als subject. Tegelijk is er geen behoefte aan een nieuwe definitie van “ik” of “wat ik werkelijk ben” Dat wat is, is zichzelf. Elk woord schiet hier tekort. Elk woord kan weer aanleiding zijn tot nieuwe denkbeelden, nieuwe conceptuele brillen.
Zoals een bom, hoeveel springstof ze ook bevat, onschadelijk gemaakt kan worden door de ontsteker weg te nemen, zo kunnen alle dromen, alle sluiers opgelost worden door deze ene ik-illusie te ontmaskeren. Want zij is werkelijk de moeder van alle illusies, van elke gehechtheid, van elk lijden.
Toch zijn er woorden die vanuit dit ervaren opkomen. Als uitdrukking van het ontwaken. We vinden ze doorheen verschillende culturen en tijdperken. Het zijn geen filosofische begrippen, die we moeten begrijpen; ze zijn een soort van verklanking, die geen verder leven dient te leiden, maar enkel en alleen terugwijst naar de bron waaruit ze komt. Ongescheidenheid. Leegte. Zijn. Bewustzijn. Gelukzaligheid. Ene Geest. Grote Zelf. Boeddhanatuur. God.
Voor een buitenstaander klinkt dit als totale waanzin. Dat is begrijpelijk. Als je leven zo in de rationaliteit, het weten, het conceptuele denken is geworteld, lijkt een bestaan voorbij het weten absurd – en bedreigend. Men zal dit uit alle macht ontkennen en ridiculiseren. Zoals iemand die nooit in de zee gezwommen heeft, en ontkent dat er iets als een zee is of zelfs maar kan bestaan, en dat, als ze wel zou bestaan, het onmogelijk zou zijn erin te zwemmen, laat staan te proeven of ze zoet of zout is. En dat degene die toch beweert geproefd te hebben dat de zee zout is, het slachtoffer is van waandenkbeelden.
Voor een stuk komen zo’n standpunten uit de wetenschappelijke hoek. Ook het postmoderne denken, met de visie, dat er niet Een Grote Waarheid, niet Een Groot Verhaal is (op de juiste manier begrepen, nochtans een diep inzicht!) leidt tot opvattingen dat elke visie evenwaardig is, dat diepgang een illusie is, en dat bijvoorbeeld de uitspraak dat alles ongescheiden is, niet juister is dan die, dat alles gescheiden is. Dat is gewoon een alles relativerend nihilisme. Het leidt op zijn beurt tot de toestanden die we vandaag meemaken in de wereld, waarbij elke opvatting, hoezeer ook uit de lucht gegrepen, aanspraak kan maken op het recht op vrije meningsuiting. Tenslotte, en het meest verrassend, zijn er de bezwaren van mensen die zich identificeren als boeddhist. Ze hebben geen ervaring met een diepgaande realisatie, menen dat als zij het niet kennen, het wel niet zal bestaan, verwijzen het ontwaken naar het rijk der fabelen en interpreteren het boeddhisme, en zelfs zen, vervolgens als een rationele filosofie of als een weg van sociaal engagement. Dit in de overtuiging dat ze een hedendaagse boeddhisme propageren, ontdaan van elk bijgeloof.
Maar op het moment dat je een slok binnen krijgt, ervaar je heel duidelijk dat de zee zout is. En wanneer dit ontwaken zich voordoet, is dat helemaal niet vreemd. Het is alsof we eindelijk wakker zijn geworden, niet ik ben wakker geworden, maar – vergeef me de beperkte woorden – dat wat altijd al was is ontwaakt uit een illusie. De illusie van een beperkte identiteit. Zoals de oceaan, die droomde dat ze enkel en alleen een golf was. De harde grens die we trokken tussen “ik” en “de wereld rondom mij” blijkt simpelweg een definitie te zijn, gecreëerd door het denken; en geen beschrijving van een realiteit. Hetzelfde geldt voor het onderscheid tussen “wat ik doe” en “wat er rondom mij gebeurt”. Vervolgens wordt het dagelijkse leven gewoon voortgezet – maar nu is er vrijheid. We zorgen voor de anderen, doen ons werk, genieten van het leven en treden de moeilijkheden die het met zich mee brengt tegemoet. Geen nood om plots rare dingen te gaan doen, integendeel. Een werkelijk ontwaken impliceert een terugkeer naar de normale toestand.
Is dat dan het eind van de beoefening? Nee. Na een werkelijk, duurzaam ontwaken blijkt zazen de meest passende activiteit voor de boeddha, die we altijd al waren. En ja, de illusies nemen ons regelmatig terug mee in hun dromen. Maar toch is er een fundamenteel verschil. Waar we tevoren gevestigd waren in de wolken van de concepten, en af en toe een stukje blauwe lucht (satori, of kensho) ervaarden; zijn we nu grotendeels gevestigd in de blauwe lucht, en worden we af en toe (en zelfs best regelmatig) verblind door de wolken. Het zwaartepunt van ons bestaan is verlegd. We zijn thuisgekomen – en niemand is thuisgekomen. Dat maakt al het verschil van de wereld. Besef ook goed dat, alhoewel het ontwaken soms een ontwaken is waarbij elke droom verdwijnt, het om de meeste gevallen gaat om een ontwaken IN de droom. Zoals wanneer we ’s nachts een lucide droom hebben, waarin we beseffen dat we dromen. En dit ontwaken in de droom is veel belangrijker dan een ontwaken uit de droom.