7. Voorbij het lijden

Begrijp ik het nu goed dat er in de praktijk drie soorten verschuiving plaatsvinden? Geleidelijke evolutie, flitsen van inzicht, en ook meer blijvende perspectiefveranderingen?

Zo zou je het kunnen zeggen. Vooral belangrijk is dat, welke vorm zich ook aandient, de praktijk van heldere observatie verder gaat. Een mooi beeld hiervoor is het verhaal van Odysseus. Na een jarenlange zoektocht vindt hij eindelijk zijn huis, zijn thuis terug. Dat is in zekere zin het einde van zijn tocht. Odysseus’ thuiskomen kan je interpreteren als het ontdekken van zijn ware natuur. Maar eens thuis is zijn werk niet afgelopen: hij moet nog de 108 vrijers buitenwerken: dat zijn de oude gewoontes, de illusies die, hoewel doorprikt, toch blijven spoken en verheldering vereisen.

Dus als ik het goed begrijp is er eerst beoefening, en wanneer er een korte flits van inzicht is, is er gewoon verder beoefening, en na een eventueel groot ontwaken is er nog altijd beoefening?

Helemaal juist. Maar meer en meer zie je deze beoefening niet als een opgave maar als een natuurlijke en vreugdevolle activiteit. Waar je in het begin misschien zen beoefent om verlichting te bereiken, ga je daarna gewoon verder met zen beoefenen om niks. En daarna ga je verder met zen beoefenen omdat dat passend is voor de boeddha die je bent, en altijd al was. Als uitdrukking van je ware natuur. In de zen, vooral in de Soto zen, leggen we al direct de volledige nadruk op het laatste, en hoe langer je beoefent, hoe meer je beseft dat dat inderdaad zo is. Met andere woorden: hoe langer je beoefent – tenminste als je beoefening goed zit – hoe meer zich er een eenvoudige stralende vreugdevolle aanwezigheid manifesteert. Hoe langer je zazen doet, des te meer je het zitten niet als een opgave, maar als een voorrecht gaat beschouwen. Maar zelfs dat is nog een beperkte visie, want er is niemand meer die het als een voorrecht ziet: er is alleen de stralende aanwezigheid van het zijn zelf.

Zijn zo’n doorbraakmomenten als kensho of satori of zelfs diepe perspectiefveranderingen op zich echt nodig?

Of je nu al dan niet korte of lange en diepe doorbraken beleeft, dat speelt geen rol. Het gaat erom dat het licht wordt – of dat nu plots en dramatisch, of traag en geleidelijk gebeurt, maakt niet uit.
Natuurlijk, als er plots een doorbraak is, lijkt het alsof er iets wezenlijks verandert – maar zoals we hebben gezien hoeft dat zeker niet blijvend te zijn. Aan de andere kant kan een stap voor stap blootleggen van de ware natuur heel onspectaculair lijken, maar als juist door die geleidelijkheid tegelijk een diepe verankering in het dagelijkse leven is gegroeid, zal deze realisatie veel sterker en stabieler zijn dan een plotse.

Verlies niet uit het oog dat een perspectiefverandering, hoe revolutionair en diepgaand ze zich ook manifesteert in je leven, niets nieuws van buiten je is dat je verwerft. In dat geval zou het iets heel beperkts zijn. Het is simpelweg een andere, volledigere en natuurlijkere manier van functioneren. In het verleden werd hier dikwijls al te hoogdravend over gedaan, alsof je alleen maar in Hoofdletters en in archaïsche vormen en taal hierover kan spreken. Moest verlichting werkelijk zo uitzonderlijk zijn, dan zou het niet de moeite lonen, ons daarmee bezig te houden. Maar het is dus gewoonweg terugkomen naar de normale toestand, de normale visie. niet betoverd door de inhouden van het denken.

Er zijn dingen die je zegt, die het voor mij heel speciaal doen lijken, en dan doe je weer alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.. dat blijft toch verwarrend.

Herinner je het begin van ons gesprek. De meeste mensen leven in een dichte wolk van illusies over hun bestaan. Zij ervaren dat als de normale toestand. Als je spreekt over de mogelijkheid dat de wolk zou kunnen optrekken, klinkt dat voor hen als iets heel bijzonders. Maar het gaat om een normalere situatie. Het is geen andere situatie die de eerste afwisselt, nogmaals het gaat om een landen in de situatie die zich achter de eerste bevindt. In het perspectief dat het andere perspectief omvat. Daarom is het zowel heel speciaal, vanuit het standpunt van de illusies, als doodgewoon vanuit het standpunt van wat we werkelijk zijn. Om terug te keren naar het beeld van de dromer die wakker wordt in zijn bed: stel je voor dat de personages in de droom zouden spreken over “wakker worden en ontdekken dat je de hele tijd al in je bed lag”. Ze zouden dat als iets heel geheimzinnig en spiritueel – of juist als totale onzin bestempelen! Maar op het moment dat je wakker wordt in je bed, is dat de normaalste zaak van de wereld…

Voel je je dan nog soms ongelukkig?

Laat ons zeggen dat, wanneer er echt een verandering in het evenwicht heeft plaatsgevonden, in het algemeen je meest ongelukkige momenten gelukkiger zijn dan de meest gelukkige daarvoor. Dat wil in de eerste plaats niet zeggen dat er geen emoties meer zijn, die worden juist veel dieper en kleurrijker, ook de onaangename. Maar hoewel zelfs verdriet of rouw diep ervaren worden, geven ze veel minder aanleiding tot lijden. Het is alsof het pakje er wel is, maar niemand neemt het aan. Er is geen persoon die het slachtoffer is. En daardoor gaan die emoties ook vlotter voorbij, er is immers niemand die erin blijft hangen.

Zelf heb ik twee momenten ervaren sindsdien, dat er toch een heel slecht gevoel was, dat gepaard ging met identificatie. Je weet dat het een droom is, en toch overspoelt die je. Het eerste geval heeft maar een dag geduurd, en leidde tot een groot inzicht in het mechanisme van gehechtheid en verwachting, dat toch maar weer eens opspeelde. Het tweede geval was hardnekkiger en ging dieper. Een gevoel van grote ellende dat lange tijd aanhield. Het bleek uiteindelijk een waarschuwingssignaal, dat me er attent op maakte dat ik een keuze had gemaakt die niet overeenkwam met dat wat ik diep voelde als de juiste weg, de juiste beslissing. Toen dat duidelijk was kon ik de juiste keuze maken en was het opgelost.

Je ervaart dus lijden meer als een signaal, een symptoom van iets dat niet goed zit? Als een hulp zelfs?

Absoluut. Maar is het in wezen niet altijd zo? Kijk naar de analyse van de historische Boeddha, die de basis vormt van het boeddhisme, de zogenaamde “vier edele waarheden” . Boeddha gaat hier te werk als een arts, die eerst naar de symptomen kijkt (een gevoel van onbevredigdheid of lijden), dan een diagnose stelt (er is een vastklampen aan iets), om dan een behandeling (loslaten) voor te stellen, die in een concreet en gedetailleerd programma wordt gegoten (het achtvoudige pad) .

Zou het kunnen dat, waar fysieke pijn een signaal is dat er een lichamelijke kwetsuur is, en emotionele pijn wijst op een verstoring in het gevoelsleven, lijden een teken is dat we ergens vastzitten in een identificatie?

Maar er is toch ook lijden dat niet afhangt van een keuze?

Dat wordt dan ervaren als louter pijn. Pijn op zich is geen lijden. Ik heb bij momenten intense fysieke pijn geleden, die geen lijden was, omdat er niemand was die het slachtoffer was. Dan voel je pijn als energie, ik kan het niet anders zeggen. Soms is het onaangename aspect ervan niet aanwezig; op andere momenten wel, maar is er nog altijd geen slachtoffer. En dan weer wel. Maar pas op, het laatste dat je moet doen is het lijden en/of de pijn van anderen gaan relativeren. Bied elke hulp die je kan bieden, op alle niveaus. Observeer eerder je eigen pijn en lijden. Maar dat wil niet zeggen, dat wanneer ik pijn heb of ziek ben of me slecht voel, ik niet heel erg de aanwezigheid, aandacht en steun van anderen waardeer natuurlijk. Dat niveau blijft. Het geeft geen zin om met opzet onaangenaam tegen mij te doen, uit de overweging dat het voor mij toch eender zou zijn. Dat is voor ons beiden niet fijn.

Ook als je het niet meer als even echt ervaart?

Wanneer heb je het meest aan een film of roman? Wanneer je gelooft dat het allemaal echt is? Wanneer je geen moment meegaat in het verhaal? Of wanneer je tot op zekere hoogte meegaat in het verhaal, in het besef dat er een meer fundamentele werkelijkheid is?

In het laatste geval, natuurlijk…

Dat denk ik ook.

Nu is het uiterst belangrijk goed te beseffen dat ik op geen enkele manier de relatieve werkelijkheid, waarin we allemaal rondlopen als individuen in een wereld, ontken. Mensen worden soms erg geïrriteerd als ze deze uitleg horen omdat ze het niet vatten: ze denken dat, wanneer je wijst op een meer fundamentele werkelijkheid, je de andere ontkent. Wanneer ik de wereld van de verschijnselen vergelijk met een film of een gezelschapsspel, menen ze dat ik zeg dat het leven in deze wereld op dit niveau niet meer betekenis heeft dan een film of spel op ditzelfde niveau. Ze denken dat ik zeg dat spel en werkelijkheid hetzelfde zijn, dat het geluk en het lijden van de mensheid maar een “spelletje” is; maar ik beweer juist dat het niveaus zijn die je goed uit elkaar moet houden! Vervolgens zeg ik dat zoals een spel virtueel is ten opzichte van de rest van ons leven, waarin we “echt gaan werken” enzovoort, op dezelfde manier er een niveauverschil is tussen deze “echte” werkelijkheid en een “nog echtere” werkelijkheid, wat het niveau van de leegte, grenzeloosheid is. Nog eens: het is uiterst, uiterst belangrijk dit goed te begrijpen. Zelfs als er fundamenteel geen gescheidenheid is, doet dat ene zich voor als een veelheid aan verschijnselen, die de vorm aannemen van een geneste structuur, een bestaan in niveaus met andere woorden.

En zoals iemand die zichzelf goed in zijn zetel voelt zitten, goed wetend dat hij niet de pion is, een uitstekende en begeesterde monopolyspeler zal zijn, zo zal iemand die zich niet uitsluitend identificeert met het individu, een beter en bevrijder leven leiden…

Het is duidelijk dat iedereen, die echt het meer fundamentele niveau van ongescheidenheid realiseert, een beter mens wordt. Fantasieën over mensen die eenheid realiseren en dan enkel nog om zichzelf geven zijn inderdaad niets meer dan wilde fantasieën, ofwel zijn ze gebaseerd op het gedrag van mensen met een onvolledige realisatie.

Zo’n reacties zijn gebaseerd op de angst dat, wanneer je niet meer leeft vanuit een bikkelhard zelfgevoel, je dan “erop los zal leven” en alle maatschappelijke regels en menslievendheid overboord zal gooien. Waarschijnlijk komen deze ideeën voort uit de opvatting dat maar een dun laagje beschaving ons ervan weerhoudt ons als “beesten” te gaan gedragen. Dat laagje beschaving zou dan afhangen van een zelfgevoel – het zelf wordt gezien als dat wat het beest in ons controleert en in banen leidt. Dat slaat helemaal nergens op. Natuurlijk is het juist andersom: het is precies het gevoel een afgescheiden zelf te zijn, dat leidt tot angst, defensief gedrag, egoïsme, agressiviteit…

Wanneer je werkelijk gevestigd bent in de ongescheidenheid, heb je geen enkele twijfel meer over hoe belangrijk het is dat alle mensen zonder onderscheid kunnen leven in goede, waardige omstandigheden, met een minimum aan fysieke en emotionele pijn, en doordrongen van een zo diep mogelijk geluk. Dat is een waarheid die ieder voor zichzelf kan ervaren, en die bovendien bevestigd wordt door het leven en onderricht van alle grote leraren uit alle tradities. Ontwaken tot de ongescheidenheid van het bestaan heeft niets te maken met “zweverigheid” of een verliezen van het contact met de realiteit. Het is juist door op te houden vanuit onze fantasieën te leven dat we werkelijk, doorheen een hernieuwd contact met de levende stroom van zijn op elk moment, de eenheid met en van onze ware natuur zullen terugvinden.


Luc De Winter, Stockholm, 13 juli 2017
©Luc De Winter 2017