Bespreking.
Dertig jaar geleden, vóór ik zen beoefende, zag ik bergen als bergen en water als water.
Dit is de zienswijze van de meeste mensen. Een berg is een berg; water – of het nu een oceaan is, een regendruppel of een wolk – is water. Meer valt er toch niet te zeggen?
Nadat ik mijn leraar ontmoet had en er een opening ontstaan was, zag ik bergen niet meer als bergen en water niet meer als water.
Van totale vanzelfsprekendheid duiken we nu het onbegrip in. Hoezo is een berg geen berg? En water geen water? Dit is geen filosofie, geen slimmigheidje, geen woordenspel. Hier wordt gesproken vanuit een realisatie voorbij woorden. Je kan dit tot op zekere hoogte verstandelijk begrijpen als “dat wat we een berg noemen is niet het woord ‘berg’ noch eender welk ander concept dat eraan verbonden wordt” maar dat is te oppervlakkig. Het gaat hier echt wel dieper dan dat. Laat zen al je zekerheden, alles wat je meent te weten uit handen slaan. Het gaat erom alle concepten te durven achterlaten en werkelijk wakker te worden. Er is dan niemand wakker geworden, en er was niemand aan het dromen. Wanneer de illusies sneuvelen, kan een fundamentele bevrijding zich manifesteren. Niemand is bevrijd, en met – of beter gezegd als– deze niemand zijn ook de bergen en wateren bevrijd.
Probeer het zelfs niet met het denken te vatten. Dat is alsof je met een mes vier partjes weer tot één appel tracht te snijden. Alleen overgave kan hier het pad zijn. Overgave in en aan de beoefening. Overgave aan de helderheid die je ware natuur is, en die er altijd al was voor de eerste gedachte erover opkwam. Verlies geen tijd.
Maar nu ik tot het punt van stilvallen ben gekomen, zie ik bergen weer als bergen en water weer als water.
“Dus het was maar iets tijdelijks? Een speciaal effect, waar we weer van moeten afkicken? Zie je wel, mijn gezonde verstand had toch gelijk! Al dat geheimzinnig, diep mystieke gedoe – back to reality!”
Deze vergissing wordt nogal eens gemaakt. Niet alleen door mensen die enkel over zen lezen, maar ook door echte beoefenaars die een korte, tijdelijke flits van inzicht hebben gehad – wat we satori of kensho noemen. Daarna is dat inzicht weer voorbij, en “zijn bergen weer bergen” hoor je soms zeggen.
Maar dat is niet waar deze zinnen over gaan. Als je zo denkt, sla je de plank helemaal mis. Wanneer het inzicht beschreven in de tweede zin echt diep doorgedrongen is, de nevel van de dromen opgetrokken is, de illusies echt bij de wortel afgesneden en definitief ontmaskerd zijn, dan kan je inderdaad “tot het punt van stilvallen komen”1. Dan kan je je weer in gewone taal uitdrukken. Niet dat die gewone taal nog dezelfde betekenis heeft als tevoren. Ze wordt niet langer ervaren als intrinsiek waar, maar enkel als een praktisch hulpmiddel. Alles is nieuw. Het wordt niet meer als vroeger, maar de wittebroodsweken gaan voorbij en het nieuwe wordt het gewone. Maar dit gewone is niet langer het gewone van tevoren.
We spreken hier over een diepe integratie van het ontwaken met het alledaagse leven. Ze waren trouwens nooit van elkaar gescheiden.
Neem nu het woord “ik”. In de eerste fase is er gewoon ik, en ik is ik. Er wordt niet aan getwijfeld, er wordt niet bij stil gestaan. Dan wordt duidelijk – de tweede zin- dat “ik” een gedachtenconstructie is, en er nooit een ik is geweest zoals we dat meenden te kennen. Er is geen ik. Er zijn handelingen maar geen doener. Gedachten maar geen denker. Maar dan, in het volle besef van de leegte van dat woord, gaan we het terug gebruiken, als een praktisch maar beperkt instrument. We zeggen “ik doe de afwas”; maar weten dat de afwas gewoon gebeurt. Dat is zo vanzelfsprekend dat het niet nodig is de grammatica expliciet te gaan hervormen of disclaimers te gaan gebruiken.
En ja, oude spoken keren wel eens terug. Maar ze worden dikwijls vrij snel doorzien, zodat de gewone toestand zich kan herstellen. En ja, deze gewone toestand kan zich altijd verder verdiepen, altijd helderder worden; en zich verder uitbreiden tot werkelijk alle momenten van ons leven.
Zoals zo vaak kan ik hier niet anders dan te verwijzen naar de Cantongqi (Jap.:Sandokai) van de 8e-eeuwse Chinese meester Shitou Xiqian (Jap.: Sekito Kisen). De titel van het gedicht is al de essentie: het vele (san) en het ene (do) zijn niet gescheiden van elkaar, als de twee kanten van één en dezelfde medaille (kai). Waar de eerste zin het vele uitdrukte, en de tweede zin de visie het ene, omschrijft de derde zin de complete integratie van beide.