Was je kom.
Een monnik vroeg om onderricht.
Zhaozhou vroeg of hij zijn rijstsoep al gegeten had;
de monnik bevestigde dat.
Zhaozhou zei: ‘Ga dan je kom wassen.’
De monnik kwam plots tot inzicht.
De oudste bron die ik van deze klassieke zendialoog kon vinden is de Transmissie van de Lamp (Jingde chuandeng lu 景德傳燈錄) uit 1004. Vervolgens werd ze, met kleine variaties, opgenomen in koanverzamelingen als de Poortloze Poort (Wumenguan 無門關, Jap. Mumonkan), het Boek van Sereniteit (Congrong lu 從容錄, Jap. Shōyōroku) en Dogens Shinji Shōbōgenzō.
Het antwoord van Zhaozhou1 wijst direct naar het hart van zen: de beoefening in en van elk moment van ons leven, of we nu op ons kussen zitten, dan wel de afwas doen. Onlangs nog zei iemand me dat de nadruk die we in zen leggen op het dagelijkse leven in het begin wel wat teleurstellend overkomt. Dat is begrijpelijk. Het is precies omdat we bevrijd willen worden uit dat wat we als dagelijkse sleur en ellende ervaren, dat we met zen beginnen. Het kan dan lijken alsof de monnik, die uit is op bevrijdend onderricht, het deksel op de neus krijgt. Zwijgen en werken! All work, no play. Het feit dat hij ook nog tot inzicht komt, in de zin van een moment van ontwaken beleeft, kan je dan helemaal wanhopig maken. Want dat ontwaken, en vooral de context ervan, had je je helemaal anders voorgesteld.
En toch is precies deze afwas – als voorbeeld van elke activiteit van ons dagelijkse leven- de poortloze poort tot een fundamenteel ontwaken. Wanneer je denkt dat de monnik het onderricht waar hij om vroeg niet kreeg, zie je dat dus verkeerd. Hij kreeg zijn onderricht wél, alleen is het misschien niet het onderricht dat hij aanvankelijk wilde horen – en dat jij wilde horen.
Het probleem is dat je je dit wassen van de kom voorstelt, zoals je gewoonlijk over afwassen denkt: als een vervelend klusje dat nu eenmaal gedaan moet worden. Een van die dagelijkse verplichtingen die onze kostbare tijd innemen, tijd die we liever aan aangenamere bezigheden zouden besteden. Zolang je er op deze manier over denkt zal deze taak tegen je zin zijn, en ga je je er slecht bij voelen. Maar wanneer je elk voorbehoud loslaat, elke conceptuele bril afzet en ten volle in het werk aanwezig bent, dan beleef je dit moment helemaal anders. Wanneer je de kom met aandacht afwast, spoelt, afdroogt en wegzet, ervaar je het als een bevrijde afwas. Als een bevrijdende afwas. Als thuiskomen. Dan is dit moment je quality time. Hoe meer je op deze manier beoefent, des te duidelijker het ook wordt dat er niemand is die afwast. Er is gewoon afwassen. Lijkt dit onzin? Doe het gewoon, en je zal zien. Of beter gezegd: niemand zal zien. Maar het zal zonneklaar zijn.
Mogelijk komen er tijdens de afwas allerlei gedachten op. Dat is geen probleem. Sommige zijn simpel en nuttig, helemaal in functie van het werk. Ze gaan snel voorbij, zodra ze hun zegje gedaan hebben. Maar je zal de merkwaardige ontdekking doen, dat er helemaal niet zoveel gedachten nodig zijn. De meeste gedachten die opkomen in relatie tot het afwassen, tot de huidige situatie, blijken compleet overbodige verwoordingen te zijn. Voor een deel is dat een natuurlijke functie van het denken; voor een deel kunnen we het zien als een neurotische gewoonte. Het is in ieder geval belangrijk, dit functioneren niet te stimuleren, maar gewoon te observeren hoe deze gedachten opkomen en voorbijgaan.
Dikwijls zal je echter merken hoe het ego weerstand biedt en die uitdrukt als: “Weeral afwas! Misschien moet ik nu toch eerst even iets dringenders gaan doen, kan iemand anders deze afwas niet overnemen? Waarom moet ik die weer doen? Ik laat hem staan tot straks – nee: tot morgen!..”. Op andere momenten leidt de weerstand ertoe dat we in gedachten uit het moment en uit de keuken vluchten, naar aangenamere oorden. Een subtielere, onderhuidse maar even kwalijke daad van verzet. Want of het nu gaat om een openlijke rebellie, dan wel om een stilletjes ontsnappen aan de afwas voor je neus en in je handen, het is telkens de wrijving tussen dat wat is en de wereld van gedachten, die je leven bezwaart. Daar welt het gevoel van ongelukkig-zijn op. Dat is wat men in het boeddhisme lijden noemt. Het vervelende van de afwas lag nooit in de afwas zelf, maar in de manier waarop we ernaar keken. Laat die manier van kijken los en geef je over aan dat wat je op dat moment aan het doen bent. Met volle aandacht. Daarin manifesteert zich de vrijheid. Dat is ontwaken. Dan ervaren we het stille geluk, dat er altijd al was, maar bedekt ging onder al het gedoe. “Is dat geen escapisme? Een ontsnappen in vergetelheid uit het ware, zorgelijke leven? Verstand op nul, blik op oneindig?” weert een cynisch egostemmetje zich nog. Het ego stelt illusies graag voor als werkelijk, en werkelijkheid als illusie – een begrijpelijk standpunt voor een illusie die krampachtig als echt erkend wil worden. Maar ontwaken is geen escapisme, zoals ’s ochtends wakker worden geen al te gemakkelijk ontsnappen is uit je nachtmerrie.
Dat was het inzicht dat zich, voorbij woorden, realiseerde in de monnik. Ik stel me voor dat het niet opkwam toen zijn leraar hem antwoordde, maar tijdens het wassen van de kom. In de praktijk.
Niets verborgen.
Je vindt heel wat vergelijkbare dialogen in de zentraditie – het gaat hier natuurlijk om een fundamenteel onderricht. Een al even beroemde scène vinden we in de Instructies voor de kok (Tenzo kyōkun) van meester Dogen. Dogen vertelt hierin hoe hij als drieëntwintigjarige tijdens zijn verblijf in China een oude tenzo ontmoette, iemand die hoofdkok is van een zenklooster. De man had twintig kilometer afgelegd om paddenstoelen te gaan kopen voor de noedelsoep, die hij de volgende dag zou maken ter gelegenheid van het Drakenbootfestival2 . Dogen was een bijzonder intelligente jongeman die – waarschijnlijk juist daarom – zen op een al te beperkte, cerebrale manier benaderde. Hij nodigde de kok uit bij hem te blijven eten, want, zo zei hij: “Er is toch nog wel iemand anders in het klooster die kan koken vanavond?”. De tenzo antwoordde: “Ik heb deze verantwoordelijkheid op me genomen als oude man; dit is de vervulling van vele jaren beoefening. Hoe kan ik mijn verantwoordelijkheid op een ander afschuiven? Ik heb trouwens ook geen toelating gevraagd om weg te blijven.” Dogen drong aan: “Eerbiedwaardige tenzo, waarom concentreer je je niet op zazen, en op het bestuderen van het onderricht van de oude meesters, in plaats van jezelf het zo moeilijk te maken, en alleen maar te werken? Is dat ook maar ergens goed voor?”
De man barstte in lachen uit en antwoordde: “Beste vreemdeling, je hebt werkelijk geen flauw benul van wat onze beoefening is, en wat de woorden van de oude meesters betekenen.”
“Ik was verbaasd en beschaamd” schrijft Dogen. “Wat zijn woorden?” vroeg hij, “Wat is beoefening?” “Wanneer je echt doordringt in deze vraag, zal je tot inzicht komen.” De jonge boekenwurm, die een helder en verstandelijk antwoord verlangde, snapte er niets van. De tenzo kon niet langer blijven, maar ze maakten een vage afspraak, elkaar opnieuw te ontmoeten.
Twee maanden later kwam de kok onverwacht op bezoek bij Dogen, die de man blij verrast thee serveerde; ze begonnen een gesprek. Hij herhaalde zijn vragen:
“Wat zijn woorden?”
“Een, twee, drie, vier, vijf.” antwoordde de tenzo.
“Wat is beoefening?”
“In het hele universum is er niets verborgen.”
Je merkt dat de antwoorden geen verklarende, rationele antwoorden zijn. Op de eerste vraag had de oude man kunnen antwoorden met een definitie in woorden van het woord “woord”, een glibberig pad, dat nergens toe leidt – en zeker niet vanuit zenperspectief. In plaats daarvan gebruikt hij het directe wijzen: hij geeft Dogen vijf woorden als voorbeeld. Als wanneer iemand je vraagt wat appels zijn, en je, in plaats van je te wagen aan een botanische definitie, er een paar uit de fruitschaal neemt en die toont. Dát zijn appels. Direct wijzen is een veelgebruikte methode in de zentraditie. Je formuleert geen uitleg in woorden en zinnen maar wijst direct naar de levende werkelijkheid hier en nu. Het is een onmiddellijke uitgang uit het woud van de concepten, waar je zo gemakkelijk in verdwaalt.
Het tweede antwoord lijkt uitdagender. Ook hier volgt geen definitie. Maar nu is de sprong van de vraag naar het antwoord groter, want de tenzo wijst hier geen concreet voorbeeld van beoefening aan. Hij had bijvoorbeeld zijn theekom kunnen afwassen, of Dōgen hetzelfde kunnen antwoorden als Zhaozhou aan zijn leerling.
Toch is dit antwoord wel degelijk relevant, en geen mysterieuze, absurdistische uitspraak.
Hoewel onze jonge salonboeddhist eindeloos soetra’s gelezen had over de leegte, de grenzeloosheid, de ongescheidenheid van het bestaan, had hij nog altijd een heel bekrompen visie op wat zenbeoefening is. Hij zag die als enkel zazen en intellectuele studie – tot de tenzo deze naïeve opvatting bij hun vorige ontmoeting opblies. Wat was beoefening dan wel? Daar zocht hij naar, alsof beoefening iets verborgen was.
De tenzo antwoordt dat er niets verborgen is. Er is fundamenteel geen gescheidenheid, dus er is niets dat apart bestaat, zodat het verborgen kan zijn. Het bestaan, dat wat is, is niet iets wat je moet gaan zoeken. Het staat voor je neus op elk moment, in elke situatie. Je bént het. Beoefening is beoefening van en in dat bestaan. Elk moment is een goed moment voor beoefening; ja, is hét moment van beoefenen. Wanneer zal je beoefenen als je niet nu beoefent? Elke situatie, elk gebeuren dat plaatsvindt, elke handeling die je stelt is materiaal voor beoefening. Wat zou je beoefenen, als je niet dit beoefent? Dit, hier en nu, precies zoals het is, is de uitdrukking van, en de aanwezigheid zelf van het bestaan. Dit is het bestaan. Loop er niet van weg, alsof je dat ook maar zou kunnen. Ga het niet ergens zoeken. Het is nooit verborgen geweest. Opnieuw: je bént het. Hou op, te doen alsof dat niet zo is. Laat je niet verblinden door woorden, droom niet weg in gedachten. Word wakker – dat is wat beoefening is – en het is zonneklaar dat er in het beoefenen geen beoefenaar, geen beoefening en geen beoefende is. Op dat moment valt de illusie weg dat beoefening en bestaan gescheiden zijn.
Wanneer je zelf een, uiteraard virtuele, grens trekt en onderhoudt tussen enerzijds dat wat je voor zenpraktijk houdt en anderzijds de rest van je leven, verstop je zelf het grootste deel van je leven, hul je het zelf in duisternis. Een illusie, want in wezen is er niets verborgen – en straalt het licht overal.
Twee jaar later ontmoette Dogen zijn leraar Tiantong Rujing (天童如淨, Jap. Tendō Nyojō). Tijdens zazen ervaarde hij kort daarna het laten vallen van lichaam en geest (Jap. shinjin datsuraku). Rujing bevestigde dit mondeling, en gaf Dogen in 1227, juist voor hij terug naar Japan ging, de dharma-transmissie.
“Als ik een beetje weet over woorden, of inzicht heb in beoefening”, zegt Dogen wanneer hij dit gesprek in 1237 uitschrijft in zijn Instructies voor de kok, “is dat te danken aan de grootse hulp van deze tenzo.”
Het is misschien niet overdreven te stellen dat het in deze ontmoeting met de tenzo was, dat de Dogen, zoals we die kennen als onvermoeibare voorstander zowel van zazen als van beoefening op elk moment, geboren werd; en dat hij enkele jaren later onder Rujing volwassenheid bereikte. Tot kort voor zijn dood zou hij een briljant literator en poëet blijven, die op onnavolgbare wijze schreef vanuit de beoefening, en met zijn teksten ook steeds direct naar die beoefening terug verwees. Bovenal was hij iemand die werkelijk “zijn handen vuil maakte” zoals ik dat dikwijls noem: ten volle in de praktijk geworteld, voorbij alle verhalen en filosofieën, voorbij alle definities en identificaties, voorbij alle woorden. Het is daar dat het hart van zen te vinden is. Het is daar dat de ware bevrijding ligt.
Luc De Winter
Ho Sen Dojo, 10 april 2026.