Inleiding.

 

Het volgende citaat uit de zentraditie geniet in het Westen al lang een grote bekendheid:

“Dertig jaar geleden, vóór ik zen beoefende, zag ik bergen als bergen en water als water.

Nadat ik mijn leraar ontmoet had en er een opening ontstaan was, zag ik bergen niet meer als bergen en water niet meer als water. 

Maar nu ik tot het punt van stilvallen ben gekomen, zie ik bergen weer als bergen en water weer als water.”

Het was trouwens een van de eerste zenonderrichten die ik zelf leerde kennen, inderdaad ruim “dertig jaar geleden, vóór ik zen beoefende”.

De tekst wordt toegeschreven aan Qingyuan Weixin (青原惟信; Jap. Seigen Ishin), en werd overgeleverd in de Xu chuandeng lu (續傳燈錄, Voortzetting van de Transmissie van de Lamp)1. Van deze vroege zenmeester is buiten dit citaat nauwelijks iets bekend, en het is mogelijk dat hij zelfs simpelweg een creatie was van de schrijver van dit boek.2 In ieder geval is de uitspraak ook al te vinden in de Jiatai pudeng lu (嘉泰普燈錄), een Chinese compilatie die in 1204 werd voltooid door Leian Zhengshou 雷庵正受.3 Hiermee hebben we een uiterste jaartal, waarin deze zinnen geformuleerd zijn – maar mogelijk zijn ze een stuk ouder.

Een paar decennia later, in 1240, schrijft Dogen in zijn Sansuikyō (“Bergen en Water soetra”): “Bergen zijn bergen en water is water”, een uitspraak die hij inderdaad toeschrijft aan “een oude Boeddha” waarmee hij een vroegere meester bedoelt. 

Het is niet moeilijk te begrijpen waarom deze drie zinnen zo diep zijn doorgedrongen in de westerse cultuur. Daisetz Teitaro Suzuki nam ze op in zijn Essays in Zen Buddhism (1926) en Alan Watts publiceerde de uitspraak in The Way of Zen (1951). Beide boeken werden gretig gelezen in de VS en Europa; ze zorgden ervoor dat zen een zekere bekendheid verwierf. Nu is het wel zo dat het werk van Watts op zijn zachtst gezegd met een kritische blik moet gelezen worden, want naast juist overgenomen informatie en een aantal goede, eigen verwoordingen vind je er ook misvattingen in die simpelweg te wijten zijn aan een gebrek aan praktijkervaring en een al te cerebrale benadering. 4

Ook de Amerikaanse avant-garde componist John Cage, die in 1952 te New York de colleges van D. T. Suzuki aan Columbia University volgde, citeert deze uitspraak in zijn  -vooral in muzikale middens invloedrijke- boek Silence (1961).

Het is trouwens in dat laatste boek dat ik deze uitspraak begin jaren negentig voor het eerst las in Cage’s licht aangepaste vorm5, en met een unieke toevoeging op het einde. Daar komen we later op terug.


 

  1. Taishō 2077, 51:614b–c.
  2. Hij wordt dikwijls verward met de bekendere Qingyuan Xingsi (青原行思, Jap. Seigen Gyōshi).
  3. https://buddha.tradifar.com/zh-hant/chapters/13176; https://www.academia.edu/38854086/Buddhist_Tales_of_L%C3%BC_Dongbin?utm
  4. Wat D.T. Suzuki betreft (verwar hem niet met meester Shunryu Suzuki): ook D.T. wordt dikwijls verweten dat hij geen praktijk had, en enkel een verstandelijke benadering kende. Dit is echter onterecht. Ook wordt hem verweten de zen zoals die in zijn tijd in Japan bestond, al te eenvoudig voor te stellen. Suzuki liet inderdaad een aantal aspecten van de geïnstitutionaliseerde en al te formalistische Japanse zen buiten beschouwing om enkel over essentiële punten te bespreken, wat we alleen maar kunnen toejuichen als vooruitstrevend.
  5. Cage schrijft “men are men and mountains are mountains”. Je kan argumenteren dat hierdoor de betekenis verschuift, maar daar gaan we hier niet verder op in.