Johannes Ockeghem, Missa L’homme armé, Agnus Dei
https://open.spotify.com/track/6B12KmldQqiCX2ZOQNjbi5?si=da7594c1899f4a17
Een merkwaardige vernieuwing die rond 1450 ontstond was het gebruik van een wereldlijke cantus firmus. Een cantus firmus is een vooraf bestaande melodie die als uitgangspunt dient voor een polyfone compositie: ze wordt in lange notenwaarden gezongen, als een rode draad, en andere, nieuwe melodieën worden daar dan rond geweven. Dit principe was al eeuwen oud; maar religieuze muziek was tot dan toe altijd opgebouwd rond een religieuze cantus firmus. We hebben hier dus opnieuw een merkwaardig samengaan van het wereldse en het religieuze, wat je kan beschouwen als het vele en het ene.
Toch is deze wereldlijke melodie L’homme armé (de gewapende man) niet de reden waarom ik dit agnus dei voorstel. De reden is simpelweg omdat het voor mij een van de meest indringende muziekstukken is die ik ken. Vooral in het derde agnus bereikt Ockeghem met weinig middelen, in een sobere, uitgepuurde stijl, een onvoorstelbare intensiteit.
In de loop van de twintigste eeuw betoogden verschillende musicologen dat Ockeghem van alle polyfonisten de mysticus bij uitstek was. Later werd deze visie gerelativeerd door anderen, die erop wezen dat er geen aantoonbare relatie was tussen Ockeghem en bijvoorbeeld de devotio moderna; en dat er geen bronnen zijn die bewijzen dat de componist zelf uitspraken in deze zin had gedaan, laat staan een dergelijke praktijk had onderhouden. Bovendien, voerde men aan, klonk de muziek van Ockeghem nu eenmaal zoals in die tijd gebruikelijk was. Wanneer je echter, ook nu nog, met musici spreekt die in de uitvoeringspraktijk staan, hoor je toch wel een ander geluid. Misschien was Ockeghem simpelweg een van de meest diepzinnige componisten in een tijd waarin het mystieke sterk doordrong in de muziek – maar in ieder geval is de spirituele, overstijgende présence in zijn muziek niet te ontkennen. Als je daar voor open staat, tenminste.