Een ruimere blik.
Vanaf de jaren negentig verruimde Tavener zijn religieuze horizon. Hij begon ook inspiratie te zoeken in het hindoeïsme, de advaita vedanta, de islam en andere religieuze en mystieke tradities. Zijn late werk heeft daardoor een meer uitgesproken universalistische inslag. Toch bleef de orthodoxe traditie voor hem centraal staan. In de onderstaande fragmenten uit zijn boek The Music of Silence (1999) profileert hij zich als een overtuigd lid van de orthodoxe traditie, die hij diepgaander vindt dan het westerse christendom.

“Het formalisme (van het Westerse christendom) sluit absoluut uit wat men in de orthodoxe traditie “de gift van tranen” noemt. Wanneer ik naar sommige van mijn laatste stukken luister …. is mij reactie dikwijls “de gift van tranen”. Deze stukken lijken in contact te staan met een intuïtieve metafysische dimensie, die een dichter als Dante ook moet gekend hebben… Het is hetzelfde als met Indische sacrale muziek en de muziek van de Soefi’s. Die creëren geen grenzen. Ze zijn volledig inclusief, nooit exclusief. Ze organiseren de dingen niet op een menselijke manier. Ze helpen iedereen, hun ware zelf te vinden.”

 (P. 122-123.)

“… een Westerse christene heeft de neiging naar God te streven – om het even heel generaliserend te stellen- terwijl een Oosterse orthodoxe christene zich al bewust is van de goddelijke aanwezigheid. Voor een orthodoxe christene gaat religie meer over het verwijderen van de laag puin, die dat wat al goddelijk is bedekt, eerder dan een of andere veraf gelegen spiritueel doel te bereiken. Je ziet het in de hele Westerse traditie. Zelfs bij componisten als Victoria of Palestrina is er altijd dat streven. Bach is vervuld van dit smachten naar de troost van een persoonlijke God. Maar wanneer je naar de muziek van het Oosten luistert, is het goddelijke op een of andere manier altijd al daar. Het is, wat parallel loopt met het eeuwige ik ben.” (P. 128-129).

Taverner heeft natuurlijk wel een punt: de christelijke mystieke traditie heeft inderdaad de tijd beter doorstaan in het Oosten, dan in het Westen, waar de nadruk meer lag op het liefdevol helpen van de medemens, in deze wereld. Zoals Tavener herhaaldelijk zegt: het westerse christendom is gericht op de wereld; het oosterse op de hemel die voorbij deze wereld ligt. Vanuit de visie van zen en advaita vedanta zijn is dat natuurlijk wat beperkt, want dualistisch uitgedrukt. “Wereld” en “hemel” of “God” zijn niet gescheiden. Niets is wezenlijk gescheiden. In de Diamantsoetra staat bijvoorbeeld expliciet dat je de levende wezens maar écht kan helpen, als je ziet dat er eigenlijk geen (aparte) levende wezens zijn. Zo zijn we terug beland op dat fundamentele punt: de ongescheidenheid van het absolute en het relatieve, het ene en het vele. Alhoewel die ongescheiden zijn, en dat moeten we ten volle realiseren, kunnen we toch naar de ene of de andere kant overhellen; dan is het belangrijk het evenwicht tussen de twee steeds weer te vinden, op elk moment. Zoek het evenwicht tussen twee ongescheiden dimensies –  is dat geen mooie koan?

Tavener kampte gedurende een groot deel van zijn leven met ernstige gezondheidsproblemen: een beroerte in zijn dertiger jaren, een hartoperatie en de verwijdering van een tumor in zijn veertiger jaren, vervolgens twee hartaanvallen waarvan hij niet zo goed herstelde. In 1990 werd bij hem het syndroom van Marfan vastgesteld, een erfelijke en ongeneeslijke aandoening van de bindweefsels. Hij verhuisde rond 2000 met zijn familie naar Dorset, waar hij in 2013 overleed.