John Tavener, Eternity’s Sunrise (1997)
voor sopraan, fluit, hobo, handbellen, luit of harp en strijkers
https://open.spotify.com/track/5C95EMfTBSQFbM07lXQo29?si=bfd60fb373a64568
Eternity’s Sunrise is voor mij het ultieme Tavener-stuk, en -in verschillende betekenissen, zoals we zullen zien- een iconische compositie van de late 20e eeuw. Sinds een twintigtal jaar beluister ik het steeds weer opnieuw. De tekst, die wat moeilijk te verstaan is, heb ik tevoren nooit opgezocht; het werk was voor mij als een instrumentale compositie met zangstem. Nu pas word ik me ervan bewust dat ik daar zelfs nooit bij stil gestaan heb. Tot nu toe heb ik me ook nooit afgevraagd wat Tavener zelf van het stuk te vertellen had. De muziek was, en is, voor mij compleet, zonder tekst of uitleg. Ik wil je graag uitnodigen om Eternity’s Sunrise op deze manier diepgaand te beluisteren, liefst meerdere keren. Op het einde van deze tekst ga ik er verder op in.
De vroege jaren.
John Tavener (1944–2013) was een van de bekendste Britse componisten van de tweede helft van de twintigste eeuw, vooral door zijn uitgesproken religieuze en contemplatieve muziek. Hij werd geboren en opgeleid te Londen. Als leerling van de prestigieuze Highgate School zong hij in het koor en speelde hij piano en orgel; van 1961 tot 1975 was hij organist en koorleider van de St John’s Presbyterian Church in Kensington. Vanaf 1962 studeerde hij aan de Royal Academy of Music, o.a. bij Lennox Berkeley. In zijn jeugd bewonderde hij vooral Stravinsky en Messiaen.
Zijn bekendste vroege werk is de cantate The Whale (1966). De opname verscheen in ’68 op Apple Records, het platenlabel van The Beatles, waardoor Tavener een voor een jonge hedendaagse componist uitzonderlijk grote internationale bekendheid verwierf.
Een nieuwe insteek.
Tavener voelde steeds meer weerstand tegen het intellectualisme en de nadruk op individuele originaliteit van het modernisme. Een beslissende wending in zijn leven en werk kwam in 1977, toen hij toetrad tot de Russisch-orthodoxe Kerk. Vanaf dat ogenblik veranderde zijn muzikale taal ingrijpend. Muziek beschouwde hij vooral als een middel om iets van een sacrale werkelijkheid hoorbaar te maken.
Vanaf de late jaren zeventig worden zijn composities doorgaans eenvoudiger, trager en ritueler van karakter. Melodieën zijn vaak geïnspireerd op liturgische gezangen of recitaties; akkoorden zijn eenvoudig en veranderen langzaam. Stilte, lang aangehouden tonen en ver uit elkaar liggende hoge en lage registers spelen een belangrijke rol. Ook herhaling wordt veel gebruikt als contemplatief middel. Daardoor kan de gewone ervaring van muzikale tijd plaatsmaken voor een tijdloze beleving.