Stilte.
Een andere fundamentele invloed was zijn verblijf in de stille kamer. Cage wilde totale stilte ervaren, maar in de speciaal daarvoor gebouwde anechoic chamber hoorde hij toch een heel hoog en een laag geluid. De technieker vertelde hem dat dat het de geluiden van zijn zenuwstelsel en hartslag waren. Toen besefte hij dat complete stilte een illusie was. Hij herdefinieerde stilte als het ontbreken van intentie, van concepten: het ruisen van de zee, een donderslag kunnen misschien luid zijn, maar vertellen niks, ze doen niets, maar gebeuren, en zijn dus “Stilte”. Ook dit inzicht was natuurlijk sterk beïnvloed door de zenlessen van Suzuki.
In 1952 schreef hij zijn beroemdste werk 4’33”, een volledig stil stuk: de pianist komt op, opent de piano en maakt zich klaar om te spelen- maar speelt niet. Het gaat er niet om dat er niks te horen is, en dat dat een soort grap is, zoals velen denken; het is ook totaal geen conceptueel stuk, maar juist het tegenovergestelde daarvan! Wat er klinkt is wat er op dat moment te horen is. Hij creëert met deze “enscenering” een soort venster in de tijd waardoor we echt gaan luisteren naar wat er is. Het stuk bestaat uit de geluiden die op dat moment klinken.
Cage had dit stille stuk al bedacht in 1948, maar het was toen een gedachtenexperiment gebleven. In 1951 maakte Robert Rauschenberg echter een reeks witte schilderijen, waar de belichting en de schaduwen van de mensen op te zien waren… Hierdoor voelde Cage zich gesterkt om de realisatie van het stille stuk door te zetten. Toevalsprocedures bepaalden dat het drie delen zou hebben van respectievelijk 30”, 2’23” en 1’40”, samen 4’33”. De première werd gespeeld door David Tudor op 29 augustus 1952 te Woodstock.
Laat werk: number pieces
Music of Changes en andere toevalsgecomponeerde werken waren dikwijls nogal druk en virtuoos. Dit had te maken met zijn idee dat het willen overkomen van moeilijkheden een belangrijke attitude was.
Laat werk daarentegen was erg rustig. Met toevalsprocedures maakte hij stukken waarin een aantal noten binnen bepaalde tijdskaders (time brackets) gespeeld moesten worden: een fluitist moest bij voorbeeld een lage sol spelen ergens tussen 2’24” en 2’39”. Zo verkreeg hij een soort geluidsmobiles, die elke uitvoering anders waren. De stukken kregen titels als Two, Four, Thirteen, … waarmee aangegeven werd voor hoeveel instrumenten ze waren geschreven. Om deze reden staan ze bekend als Number Pieces.