Crisis.
In de eerste helft van de jaren ‘40 maakte Cage een diepe crisis door. De aanleiding was zijn ontluikende relatie met choreograaf Merce Cunningham. Heen en weer geslingerd tussen extase en diepe vertwijfeling, drukte hij die gevoelens uit in zijn muziek. Het publiek bleek daar niets van op te vangen, zodat hij zich begon af te vragen wat muziek eigenlijk betekende, als ze geen communicatie was. Waarom muziek schrijven?  In februari 1944 verliet Xenia hem om tijdelijk in te trekken bij Peggy Guggenheim; de relatie met Merce hield stand tot Cage’s dood in 1992.

In 1946, nog steeds op zoek naar een uitweg uit zijn persoonlijke en compositorische impasse, vroeg hij de Indische muzikante Gita Sarabhai waarom men in de Indische cultuur muziek maakte. Ze antwoorde: Om de geest te vereenvoudigen en tot rust te brengen, en hem zo ontvankelijk te maken voor goddelijke invloeden”. Dat was voor Cage het begin van een ware revolutie in zijn benadering van muziek.

Cage las onder andere het boek van Ananda Coomaraswamy, The Transformation of Nature in Art   (1934). Daaruit nam hij een formulering over die gedurende vrijwel zijn hele leven een centrale definitie van kunst voor hem bleef:

Art is the imitation of nature in her manner of operation.

Dit betekent dus niet dat kunst de uiterlijke verschijningsvorm van de natuur moet nabootsen; maar dat kunst iets overneemt van de wijze waarop natuur functioneert. Cage verwijst later herhaaldelijk expliciet naar Coomaraswamy als bron van dit idee.

Hij begon ook over zen te lezen, aanvankelijk het werk van R. H. Blythe; minstens vanaf 1952, maar mogelijk al vanaf maart 1951 volgde hij echter op Columbia University de colleges over zen van Daisetz Suzuki. Cage zag Suzuki vanaf dan, waarschijnlijk terecht, als zijn voornaamste bron over zen. Hij zag in dat de “goddelijke invloeden” de realiteit hier en nu was. Muziek zou voor hem niet langer een persoonlijke expressievorm zijn, maar een hulpmiddel om te ontwaken tot dat hier en nu.

Zoals hij het formuleerde in 1991, het jaar voor zijn dood:

Wanneer ik luister naar wat we “muziek” noemen, dan komt dat op me over alsof er iemand aan het woord is, die spreekt over zijn gevoelens, of over zijn ideeën of relaties. Maar wanneer ik verkeer hoor, het geluid van verkeer, dan heb ik niet het gevoel dat er iemand aan het woord is. Ik heb het gevoel dat het geluid actief is (that sound is acting). En ik houd van de activiteit van geluid…. Ik heb er geen behoefte aan dat geluid tegen me spreekt.

Interessant om hier de volgende uitspraak naast te leggen van Cage’s land- en generatiegenoot, pianiste en zenlerares Yoko Beck: “Wat ik doe als ik van het heden wegdwaal is naar het verkeer luisteren. Ik overtuig me ervan dat ik niets mis. Niets. Ik luister gewoon echt. “ [1]  Maar zoals je weet en vooral ervaren hebt is dat een van de meest voor de hand liggende zenonderrichten wanneer je in een stad beoefent…

Music of Changes: Cage wordt Cage.

Begin ‘51 vond Cage de radicale methode om geluiden te bevrijden van zijn eigen ideeën en emoties: toevalsprocedures. Zijn leerling Christian Wolf liet hem de I Ching zien, een oud chinees orakelboek dat toevalsprocedures gebruikt. Toeval werd Cage’s basistechniek, tot het einde van zijn leven. Dit was zijn manier om muziek te maken die “de natuur imiteerde in zijn manier van werken”.

Hij componeerde op deze manier The Music of Changes, een lang pianostuk. De compositie vergde ontelbare toevalsprocedures, die vele maanden voltijds en uiterst gedisciplineerd werk vergden, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Hoewel hij in de jaren 40 behoorlijk wat succes had gekend, was zijn financiële toestand op dat moment heel slecht. Hij besloot zijn leven te riskeren om het stuk af te maken, en voorzag zelfs instructies voor zijn vaste pianist en goede vriend David Tudor, zodat, moest hij het niet overleven, die het stuk zou kunnen afmaken.