Verdere ontwikkeling.
In de jaren zestig komt Scelsi’s rijpe stijl volledig tot ontwikkeling. De ene toon van de Quattro pezzi wordt nu als het ware opengebroken. Rond één of enkele centrale toonhoogten ontstaan complexe klankvelden door kwarttonen, glissandi, vibrato, tremoli, veranderingen van klankkleur en dynamiek en de voortdurende verschuiving van het boventonenspectrum.
Tot deze periode behoren enkele van zijn belangrijkste werken, waaronder Hymnos, dat we in het begin beluisterden, en Anahit.
Giacinto Scelsi, Anahit voor viool en orkest (1965)
https://open.spotify.com/track/1jhdIauZGgwVcZT5T9QS7C?si=9dbdccd0f2a54ce1
Het boeiende aan deze muziek is dat ze, nog minder dan de Quattro pezzi, zeker niet etherisch of zelfs maar rustig is. Vooral de grote orkestwerken kunnen overweldigend, donker, schurend en bijna gewelddadig klinken. Koperblazers, slagwerk, lage registers en microtonale wrijvingen produceren massieve klankvelden.
Het meditatieve ligt bij Scelsi dus zeker niet in sereniteit, maar in de aard van de aandacht die zij vereist. Een aandacht die niet luistert (tenzij tevergeefs) naar een “zinvolle inhoud”, maar simpelweg open ervaren is. De muziek verandert, als een natuurverschijnsel, en bouwt niets op, vertelt niets, gaat nergens naartoe. Ze is. Het is waar, voor heel wat mensen is dit onbeluisterbare muziek, of zelfs geen muziek. Een begrijpelijke reactie, maar wel een die erop wijst dat je alleen bereid bent te luisteren naar muzikale gedachten. Wanneer je alleen bereid bent te luisteren naar muziek die als taal gestructureerd is, ben je misschien ook niet bereid aandachtig te zijn voor alles wat geen taal is, wat geen conceptueel denken is, tenzij op een heel oppervlakkig, praktisch niveau. Wanneer je als zenbeoefenaar sterk negatief reageert op deze muziek, is het dus belangrijk om de reden daarvan eens goed te belichten. Dat kan heel interessant zijn voor de verdieping van je beoefening.