Una nota sola.
Vanaf 1952 was de crisis voorbij en werd hij terug actief als componist – maar op een heel andere manier. Meer en meer liet hij het traditionele componeren aan de schrijftafel los. Hij begon te improviseren en zijn improvisaties op band vast te leggen; ze werden later, dikwijls met de hulp van medewerkers, in een uitvoerbare partituur omgezet. Hij zag zichzelf steeds minder als de componist of auteur van de muziek, maar eerder als een medium waardoor iets uit een transcendente werkelijkheid tot klinken kon komen. Het moet ook in deze periode geweest zijn, dat hij een verbod instelde foto’s van hem te verspreiden; het ging immers niet om zijn persoon. Pas na zijn dood zouden er foto’s van Scelsi gepubliceerd worden.
Zijn werk werd steeds meer geconcentreerd rond enkele toonhoogten. Melodie en harmonie verloren hun traditionele richtinggevende functie, terwijl klankkleur, dynamiek, articulatie, register, vibrato en microtonale afwijkingen steeds belangrijker werden.
Het bekendste resultaat van deze evolutie zijn de Quattro pezzi sopra una nota sola (1959): een suite van orkeststukken die alle vier bijna volledig rond één enkele toon zijn opgebouwd. De schijnbare beperking blijkt een enorme verruiming te zijn. Juist doordat de aandacht niet voortdurend naar nieuwe noten wordt geleid, wordt ze gevoelig voor uiterst kleine veranderingen binnen de klank.
Giacinto Scelsi, Quattro Pezzi sopra una nota sola (1959)
https://open.spotify.com/track/7qG1QPqxYXx33a4EHvf317?si=2c47c8d43ab74c3e
Als we deze muziek benaderen vanuit het Sandokai-model, is het duidelijk dat de ene toon de ongescheidenheid aanwezig stelt. Niet omdat het één toon is, dat zou maar een oppervlakkige symbolische betekenis hebben. Wel, op een veel dieper niveau, omdat je met één toon niets vertelt of zelfs maar kan vertellen. Eén toon is. Deze ene toon van Scelsi komt overeen met wat we in de oude christelijke muziek de ison noemen, de aangehouden basnoot. Boven deze ison klonk een melodie, die met haar vele noten in zekere mate iets vertelde, zelfs als ze voortdurend terugkeerde naar die ison, en er helemaal op gebaseerd was. Die melodie is het vele, dat ongescheiden is van het ene, de basnoot. Bij Scelsi is deze expliciete gelaagdheid er niet. Het is de aangehouden toon zelf die voortdurend verandert, terwijl ze toch dezelfde noot blijft. Deze veranderingen kan je nauwelijks een “verhaal” noemen, of beschouwen als een vorm van “taal”. Ik zie deze veranderingen eerder als een manier om deze ene noot “levend te houden”, en zo de aandacht uit te nodigen erbij te blijven, met een open geest. Op deze manier komt Scelsi tot een heel ander evenwicht tussen het ene en het vele. Een klank die echt helemaal stabiel is, we zouden het “dood” kunnen noemen, is bijvoorbeeld de starre toon van een elektronische oscillator. Je kan je aandacht daar op richten bij wijze van een heel strakke concentratieoefening, maar dat zou heel beperkt zijn.
Laat al deze beschouwingen achterwege bij het beluisteren, en geef je over aan de klank….