Een eigen leven.
De chaconne van Bach ging een heel eigen leven leiden, los van de tweede partita waarin hij als slotdeel fungeerde. Mendelssohn, Schumann, Brahms (wiens vierde symfonie heel ongebruikelijk eindigt met een chaconne!) en Busoni maakten pianotranscripties, die de romantische stijl van hun tijd weerspiegelen. Tegen 1900 had het stuk een bijna mythische status. Het werd gebruikt in films vanaf 1939 (When tomorrow comes); speelt een hoofdrol in Le joueur du violon (1994), waarin een violist het concertleven de rug toekeert en Bach gaat spelen in de Parijse metro; komt voor in de merkwaardige film Bee Season (2005), en heeft een rol in de reeks American Gods (2019, seizoen 2 afl. 4).  Op YouTube vind je onder andere een “psychedelic rock version”, en er bestaat ook een K-pop nummer met als titel Chaconne (Ladies’ Code, 2016).

Passacaglia.
Als je geïntrigeerd bent door dit werk, kan je ook eens Bachs passacaglia voor orgel beluisteren. Passacaglia (It.; Fr.: passecaille) en ciaccona lopen als termen sterk door elkaar. Een onderscheid dat soms gemaakt wordt (blijkbaar ook door Bach) is dat een passacaglia gebaseerd is op een steeds herhaalde melodie in de bas, terwijl de ciaccona op een steeds herhaalde akkoordenreeks baseert. Een passacaglia zou bovendien eerder ernstig van toon zijn, een ciaccona eerder vrolijk; volgens mij zijn beide stukken van Bach vrij ernstig. De passacaglia in do klein voor orgel, die gevolgd wordt door een fuga, heeft een thema dat twintig keer letterlijk herhaald wordt, bijna steeds in de bas, maar soms ook in de bovenstem.

Heinrich Ignaz Franz von Biber.
Een kleine halve eeuw vroeger, rond 1675, schreef Heinrich Ignaz Franz von Biber al een gelijkaardig werk. Zijn passacaglia voor viool solo is iets korter, maar nog altijd een lang solowerk voor die tijd; en ook dit stuk sluit een lange reeks kortere stukken af. De reden dat ik deze compositie hier vernoem is dat ze als slot fungeert voor Bibers christelijk geïnspireerde Rosenkranzsonaten, een reeks van vijftien korte sonates die elk verwijzen naar een van de vijftien mysteriën van de Rozenkrans. Zelfs al betekent het woord meditatie iets anders in christelijke context dan in boeddhistische, deze passacaglia wordt dus wel degelijk expliciet gekoppeld aan een religieuze beoefening van devotie en contemplatie. Ik veronderstel dan ook dat men zich in die tijd bewust was van het effect dat zo’n stuk op de luisteraar heeft.