De Tijd.
Met zijn compositie De Tijd onderzocht Andriessen een heel andere kant van de repetitieve muziek. Hij zei hierover: “De aanleiding voor het maken van het stuk was een unieke ervaring die me het gevoel gaf dat de tijd opgehouden had te bestaan, het gevoel van een eeuwigdurend ogenblik. Het was meer dan een volmaakte innerlijke kalmte, het was een euforie die zo sterk was, dat ik later besloot om daar een stuk over te maken.”

Boven de partituur schreef hij een citaat uit de Divinia Comedia van Dante:
‘… mirando il punto a cui tutti li tempi son presenti.’
( kijkend naar het punt waar alle tijden aanwezig zijn)

Louis Andriessen, De Tijd (1980-81)
https://open.spotify.com/album/5iLZniCVDsNFk4iYesQLU9?si=hEdJoCNoRB27ajevxT1Bug

Het werk is gebaseerd op Augustinus’ beschouwingen over tijd en eeuwigheid in het elfde boek van zijn Confessiones. De harde motoriek van De Staat maakt plaats voor extreem uitgerekte akkoorden, lange klankvelden en langzaam verschuivende ritmische processen. Stilstand en beweging worden voortdurend tegen elkaar uitgespeeld.

De Tijd is verrassend “leeg”, vooral de eerste 10 minuten of langer krijg je als luisteraar heel weinig – niet dat er daarna zoveel komt. De componist nodigt je als het ware uit tot een ontlediging, een open toestand. Is dit de Andriessen van De Staat?

Hoewel Andriessen zich voor zover ik weet nooit uitgesproken heeft over meditatie, laat staan over een eigen meditatiepraktijk, sprak hij wel over mystiek.  In een interview uit 2013 naar aanleiding van Mysteriën, zijn orkestwerk op teksten van Thomas a Kempis, werd hem expliciet gevraagd naar de “mystieke kant” van zijn muziek, ook hoorbaar in Hadewijch en De Tijd. Andriessen antwoordde:

“Wat mijn eigen muziek betreft, was het spirituele en serene altijd als een rode draad aanwezig, maar het moest op de achtergrond blijven toen ik protesteerde tegen het klassieke muziekestablishment en schreef voor straatmuzikanten zoals De Volharding – soepele en mooie muziek zou toen gewoon niet hebben gewerkt.”

Op de vraag of hij het filosofische aspect van Thomas a Kempis belangrijker vindt dan het christelijke, antwoordde Andriessen:

“Voor mij zijn filosofie, mystiek of theater allemaal zaken die de creativiteit stimuleren en met elkaar versmelten tot iets dat nauw verwant is – of het nu gaat om Hamlet, Medea of het begrip van God. De ideeën in het boek van Thomas a Kempis kunnen dus prima samengaan, niet alleen met die van Sint-Augustinus, maar ook met die van seculiere schrijvers waaruit ik put, zoals Plato en Lao Tse.”

De Tijd heeft me vreemd genoeg nooit even sterk aangesproken als De Staat, zelfs al is dit latere stuk veel meditatiever en mystieker van inslag. Ik merk simpelweg dat er voor mij weinig aantrekkingskracht van uitgaat. Ik luister liever drie kwartier naar het verkeer, of ben liever drie kwartier gewoon aanwezig in het moment.

Dat brengt ons bij een belangrijk aspect van wat ik spirituele muziek noem: ik vind het belangrijk dat deze muziek je aantrekt, dat ze je helpt om spontaan tot een weidser bewustzijn te komen, als een deur of poort die je uitnodigt ze te openen en er doorheen te gaan. Wanneer de muziek je fascineert, wordt ze echt een hulpmiddel om los van een “persoonlijke wil”, los van elke inspanning zelfs, het ontwaken te cultiveren.

Natuurlijk kan je ook muziek die je niet direct aanspreekt kiezen als meditatie-onderwerp. Dat kan al eens goed zijn. Maar kan je je dan niet evengoed richten op het geluid van de vogels, van het verkeer, op het voelen van je ademhaling of simpelweg op wat er verschijnt hier en nu? De momenten waarop muziek mij ertoe bracht om een opening te ervaren, en zo zijn er heel wat geweest, was dat altijd te wijten aan een natuurlijke, spontane aantrekkingskracht. De muziek voert je vanzelf mee, uit je gebruikelijke gedachtenpatronen en wereldbeelden. In vele gevallen ervaar je een onmiddellijke aanzuiging naar een andere manier van zijn, zoals bij Feldman.  

De Staat werkt helemaal anders volgens mij; de aantrekkingskracht zit hier ten eerste voor een stuk in de energie, in de motorische beweging, zoals bij Reich. De geest is daardoor aangetrokken en gaat vervolgens mee in de andere, open tijdbeleving van deze muziek. Maar de klassieke retorische trucs die ik noemde, met hun ietwat manipulatieve strategie, die spelen  paradoxaal genoeg ook een rol.  Eens deze spannende overgangen je bij je nekvel hebben gepakt, droppen ze je in de daaropvolgende statische, tijdloze muziek. En zo gaan we van het vele in het ene, en terug in het vele, en opnieuw in het ene.  Alhoewel ik ook een duidelijke  “verticale” (gelijktijdige) integratie van het vele en het ene in dit stuk vind, is er eveneens deze “horizontale” (opeenvolgende, afwisselende) integratie van het ene en het vele. Retoriek als upaya (nuttig hulpmiddel tot bevrijding), zo zou ik het formuleren.