Midden jaren zeventig had de repetitieve muziek van Reich en Glass al een vrij groot publiek bereikt, ook buiten de Verenigde Staten – maar ze was nog altijd een zuiver Amerikaans fenomeen. In 1976 kwam er, als een donderslag in een heldere hemel, een antwoord uit Europa. Louis Andriessen vond al dat minimal gedoe bijzonder boeiend, maar wat softerig. Hij zag er andere mogelijkheden in. Over meditatie of spiritualiteit sprak hij niet; in die tijd beschouwde hij zichzelf als een marxist. Een paar jaar eerder had hij nog actie gevoerd tegen het muziekestablishment, waar het Amsterdamse Concertgebouw symbool voor stond. Zijn stuk De Staat ging in première op 28 november 1976 in hetzelfde Concertgebouw, en het sloeg in als een bom.
Louis Andriessen, De Staat (1972-76)
Voor 2 sopranen, 2 mezzo’s, 4 hobo’s/Engelse hoorns, 4 hoorns, 4 trompetten, 4 trombones, 2 elektrische gitaren, basgitaar, 2 harpen, 2 piano’s en 4 altviolen.
https://open.spotify.com/album/0faSAhmwxGadPmVUFfUiPM?si=B2vaxI2CSjq9dqQF9cYmxw
Je herkent de motorische ritmes, de herhaalde patronen, de modale toonladders, de typische tijdsbeleving van de tot dan toe bekende repetitieve muziek; maar er zit meer vertelling in, zelfs retoriek. De componist is er meer in aanwezig. Waar de Amerikanen graag heel geleidelijke -zelfs procesmatige- overgangen maakten, of juist verschillende soorten muziek na elkaar lieten horen zonder enige overgang, maakte Andriessen gebruik van traditionele strategieën: op het einde van een geleding wordt de muziek luider en voert ze de spanning op om je zo naar het begin van de volgende geleding te leiden. Als luisteraar zit je op zo’n moment echt op het puntje van je stoel; je wordt actief meegetrokken in de muziek.
Voor de ritmiek liet Andriessen zich, naast zijn Amerikaanse tijdgenoten, inspireren door zijn grote voorbeeld Stravinsky. Deze laatste gebruikt ook heel wat herhaling om een andere tijdbeleving op te roepen: luister maar naar Le Sacre du Printemps. Niet alleen in dat stuk, maar ook in zijn latere werken vinden we deze herhalingen terug. Het onderbreken van de muzikale vertelling (alsof “de plaat blijft hangen”, voor wie oud genoeg is om deze uitdrukking nog te begrijpen) opent bij Stravinsky niet zozeer een intieme ruimte maar wel een overstijgende, rituele, tijdloze, en dikwijls heel lichamelijke dimensie. Daarom zie ik hem ook als een voorloper van de latere minimale en repetitieve ontwikkelingen. De geledingen waarvan ik sprak, die je ook muzikale blokken kan noemen, nam Andriessen eveneens over van Stravinsky. Tenslotte verwerkte Andriessen ook invloeden van rock en jazz. Alleen al de elektrische gitaren, en het feit dat alle instrumenten versterkt worden, waren revolutionair in die tijd. Zeker in het Concertgebouw.
Natuurlijk, wanneer je dit beluistert na David Hykes, Morton Feldman of Eliane Radigue, is het behoorlijk wild. Je moet er ook rekening mee houden dat door de elektrische versterking, waarbij een altviool even luid klinkt als een trombone, het geluidsniveau echt wel hoog ligt. Speel het dus niet te stil af. Maar bovenal: al dit geweld wordt, zoals ik al beschreef, in banen geleid door een paar klassieke retorische strategieën, die we zeker niet als meditatief kunnen bestempelen.
En toch! Al is het geen meditatief stuk te noemen, De Staat heeft voor mij toch ook een overstijgende dimensie in zich. Door de herhalingen; door de stilstaande akkoorden; de muziek ademt tijdloosheid, en dan pakt ze je weer mee in een spanning, een verwachting.
Dus ja, voor mij is dit een stuk waarin het ene en het vele geïntegreerd zijn. Over hoe het evenwicht tussen beide ligt, kan je eindeloos discussiëren.
Over de teksten hebben we het nog niet gehad. Ze komen uit Plato’s Politeia, specifiek uit passages waarin Plato bespreekt welke toonladders, ritmes en muzikale vormen wenselijk zijn voor de staat. Andriessen gebruikt deze teksten voor een stuk ironisch. Aan de ene kant bestrijdt hij het idee dat muziek maatschappelijk neutraal zou zijn. Instrumentarium, speelpraktijk, productiewijze en compositietechniek zijn volgens hem allemaal sociaal bepaald. Maar aan de andere kant achtte hij Plato’s idee dat een bepaalde toonladder rechtstreeks een bepaald karakter of staatsbestel zou veroorzaken absurd. Als klap op de vuurpijl zegt Andriessen dat hij betreurt dat Plato ongelijk heeft — het zou prachtig zijn als muzikale vernieuwing werkelijk de wetten van de staat kon veranderen… Het minste dat we kunnen zeggen, is dat het gebruik van de tekst, en de verhouding ervan tot de muziek bijzonder gelaagd is. Ook dat maakt dit stuk zo boeiend.