Tintinnabuli.
In 1976 vond hij een radicaal nieuwe muzikale taal, die ten opzichte van zijn voorgaande stijlen een radicale vereenvoudiging betekende. Het eerste volwaardige voorbeeld hiervan is het korte pianowerkje Für Alina. Meteen daarna ontstonden  Fratres, Tabula Rasa, Cantus in Memory of Benjamin Britten (1977) en Spiegel im Spiegel (1978). Het waren deze composities die in de loop van de jaren 1980 tot Pärts internationale doorbraak leidden en nog altijd zijn bekendste werken zijn.

Die nieuwe taal noemde hij tintinnabulistijl, naar het meervoud van het Latijnse tintinnabulum, ‘klokje’. In zijn eenvoudigste vorm combineert Pärt twee soorten stemmen. De M-stem (melodiestem) beweegt meestal trapsgewijs binnen een toonladder; de T-stem (tintinnabulistem) gebruikt uitsluitend tonen van de gronddrieklank van deze toonladder. Volgens vaste regels wordt iedere melodietoon vergezeld van een toon uit die drieklank. Zo ontstaat een muziek waarin melodie en onbeweeglijke harmonie voortdurend innig, van noot tot noot, met elkaar verweven zijn.

Arvo Pärt, Cantus in memoriam Benjamin Britten (1977)
https://open.spotify.com/track/1DvvojxrPoGkMWwFHx6ORX?si=972d00bd79a14c4b

Pärt en het Sandokai-principe.
Misschien klinkt dit je wat al te technisch. Wat van belang is, is het feit dat Pärt een persoonlijke manier vond om dat te realiseren wat ik al beschreef als het muzikale Sandokai-principe: een verweving, een integratie van het vertellende, talige in de muziek met het onbeweeglijke, de ene noot, het ene akkoord, die puur klank zijn.

Pärt zelf beschrijft dit theologisch als de wereld van God en de wereld van de mens, die samenkomen, en ik vermoed dat hij ermee zou instemmen dat die minstens tot op zekere hoogte altijd al verweven zijn, ongescheiden zijn.

Hoewel zijn tintinnabulitechniek een eigen specifieke toepassing is, ligt ze helemaal in de lijn van de oude isonprakijken, en van de klassieke Indische muziek, zoals de voorbeelden van Marcel Pérès en Lakshmi Shankar die we beluisterden. Het is waar, deze muziek klinkt toch weer helemaal anders. Eens je ermee vertrouwd bent, hoor je de overeenkomsten nochtans heel duidelijk.

Arvo Pärt, Tabula Rasa (1977)
https://open.spotify.com/track/0fpy8Uz4QYbj4KjbcNyKw8?si=115d9e78fc444aef
(Dit is de link naar het eerste deel, beluister het tweede zeker ook).

Dit langere werk is een tweeluik. Het eerste deel heet Ludus (spel); het tweede Silentium (stilte). Het contrast tussen beide bewegingen verdiept hun effect. Je kan zeggen dat, los van de innerlijke integratie tussen het ene en het vele, elk van de twee luiken een eigen accent legt: Ludus, waarin ik  het kosmische spel (Sankriet: Lila) zie, stelt het vele voor;  Silentium roept natuurlijk het ene op. Het ongescheiden ene, dat er al is, maar pas ervaren wordt als de ratio zwijgt, en waar ook niet echt iets van gezegd kan worden. En nee, de stilte is hier -net als bij John Cage- geen afwezigheid van geluid, maar die van de intenties maar bovenal, zoals ik het zou formuleren, van de taal.