Het instrument
Het instrument is vernoemd naar zijn lengte: de shaku is een oude lengtemaat (30.3 cm); hachi betekent acht, hier bedoelt men acht sun, acht tienden van een shaku. Een shaku en 8/10 (shaku) = 55 cm. Het is alsof we in het westen niet zouden spreken van een cello, maar van een metertwee (120 cm).
Er zijn echter ook kortere en langere fluiten, en die noemt men ook shakuhachi. Het instrument is gemaakt van het worteluiteinde van een bamboestengel. Door de eenvoud van de vorm kan de speler de klank sterk beïnvloeden. Je kan dezelfde toonhoogte in verschillende klankkleuren, maar ook allerlei toonbuigingen (subtiele afwijkingen in de toonhoogte) spelen. Dat doe je door het veranderen van de mondstand, en door gaten half open te houden.
De basisstemming is re fa sol la do re, er zijn 5 gaten.
De tessituur (toonomvang) is enkele noten meer dan twee octaven.
Omdat elk stuk bamboe uniek is, is massaproductie niet mogelijk.
Historiek.
Evenals de vroege geschiedenis van zen, is die van de shakuhachitraditie doorspekt met verhalen van latere oorsprong, die hun belang en betekenis kunnen hebben, maar hoogstwaarschijnlijk of zelfs zeker fout zijn, historisch gezien.
Zo werd de Fukeschool genoemd naar Fuke, (Jap; Puhua in het Chinees), een tijdgenoot van de negende-eeuwse zenmeester Rinzai (Chin.: Linji). Fuke speelde geen shakuhachi maar trok rond met een bel, die hij luidde. Deze bel zou geïmiteerd geworden zijn door de shakuhachispelers, waardoor Fuke beschouwd werd als de grondlegger van deze school…
Kakushin, een Japanse monnik die 6 jaar in China ging studeren bij meester Wumen van de Rinzai school, zou in de 13e eeuw de shakuhachitraditie meegebracht hebben naar Japan. Hoewel Kakushin goed gedocumenteerd is, is er geen historische aanwijzing dat hij ook shakuhachi gespeeld zou hebben, laat staan de traditie in Japan invoerde.
De historische evolutie kunnen we tegenwoordig reconstrueren als volgt:
De shakuhachi ontstond in China, en kwam in de 6e eeuw, volgens andere bronnen tijdens de Tang dynastie (618-907) naar Japan, waar hij deel uitmaakte van het gagaku ensemble. Eeuwen later dook hij weer op, deze keer als solo instrument.
Voor 1600 zijn er blijkbaar geen betrouwbare bronnen die een echte meditatiepraktijk bij shakuhachispelers aantonen, wat niet betekent dat die er niet was. De rondtrekkende shakuhachispelers met een religieuze inslag werden komoso genoemd (“stromat” monniken). Vanaf 1628 wordt het bespelen van de shakuhachi in bronnen gekoppeld aan zenbegrippen als isshin, de ene geest/het ene hart. Geleidelijk aan verandert het woord komoso in komuso, waarvan de etymologische herkomst misschien is: kyo (leegte), mu (niets), so (boeddhistische monnik).
In de tweede helft van de 17e eeuw zou er een geleidelijke institutionalisering plaats gevonden hebben, die leidde tot de Fuke school en een connectie met de Rinzai zen.
Doorheen de 18e eeuw zette deze evolutie zich voort, en uit het laatste kwart van deze eeuw kennen we ook een uitgewerkte genealogie van de Fuke school (met onder andere de mythische verhalen die ik al citeerde).
De komuso moesten minstens 3 keer per maand takuhatsu (een bedelronde) doen, waarbij ze shakuhachi speelden. Hun hoofd was bedekt met een stromand als teken van onthechting, niet alleen van de wereld, maar ook van hun eigen persoon. Ze improviseerden niet maar speelden een vast repertoire van stukken die van meester op leerling werden overgedragen, en die van buiten uitgevoerd werden.
Tijdens het shogunaat was reizen maar beperkt toegelaten. De komuso vroegen en kregen toch toelating hiervoor omdat het voor hen essentieel was, rond te trekken en te bedelen. Als wederdienst werd ze blijkbaar soms gevraagd te spioneren. De shogun verkleedde zijn spionnen ook graag als komuso, omdat ze met de mand onherkenbaar waren. Het kwam zo ver, vertelt men, dat aan een komuso wel eens gevraagd werd een moeilijk stuk te spelen, om te zien of hij geen verklede spion was. Lukte hij daar niet in, dan werd hij vermoord.
Enkele jaren na de Meiji restauratie van1868, in 1871, viel de Fuke school uiteen omdat de nieuwe regering het bespelen van de shakuhachi verbood vanwege de voorgeschiedenis van spionage. Na 4 jaar werd de shakuhachi terug toegelaten, maar alleen voor seculiere toepassingen waarbij de bamboefluit bij voorbeeld in combinatie met instrumenten als koto en shamisen klonk. In geen geval mocht het honkyoku repertoire uitgevoerd worden. Dit kon pas later weer.
Voor zover ik begrijp werden de tempels van de Fukeschool na 1871 Rinzai tempels, maar hun beoefening leeft voort in de “Kyochiku Zenji Hosan Kai” (KZHK) group in Kyoto.
Geleidelijk ontstond er een heropleving van de shakuhachitraditie als zenpraktijk. Het ondertussen ingeburgerde begrip suizen, blazende zen naar analogie van zazen, zittende zen, vond ingang kort na de tweede wereldoorlog. Op dat moment begon men ook in het westen de shakuhachi meer en meer te ontdekken.