Geen geboorte, geen dood.
Geen geboorte, geen dood
Noch geen geboorte, noch geen dood
Enkel de smaak van het moment
Enkel de vluchtige schoonheid van wat is

Het rillen van de aarde
Onder de stilte van de waterval
De beweging van de onverstoorbare bergen
Die de lege hemel contempleren
Zijn de leegte van het lichaam van de Boeddha

Het geluid van de wind
In de onbeweeglijke bomen
Het zingen van de vogels
Die de stilte van de lentebries weven
Zijn de leegte van de Boeddha’s stem

Dat zien met een blik
Die niet anders ziet dan Dat
Hoe kunnen het weten en de kennis
De meditatie uitdrukken?

De pelgrim.
De pelgrim stapt zonder een woord te
zeggen. Hij stapt gewoon.
Hij is alleen en stapt doordrongen van
zijn eenzaamheid. Want hij weet. Nee hij
weet niet, hij voelt, hij heeft de diepe intuïtie
dat de weg naar God eenzaam is.

Eenzaam in het diepst van de
eenzaamheid, in een verblijf zonder verblijf
en toch, gedeeld met alle wezens in het
diepst van de stilte, woord van het hart.

Eenzaam en zwijgen. Hij stapt zonder
één woord. Doorkruist het onverstoorbare,
het eeuwig contemplatieve.

In stilte is hij op pad. Elke stap is een
meditatie, zoals de dageraad van elke
ochtend het licht van de wereld ademt.

Wat zoekt hij? Waarop hoopt hij? Weet hij
het zelf? Misschien konden de stille wolken
hem de antwoorden op de zoektocht
toevertrouwen.

Maar hoop maakt geen deel uit van de
tred van het universum, van het goddelijke
plan.

De pelgrim begrijpt de waarheid ervan
stap voor stap. Elke stap is een eeuwigheid en
elke eeuwigheid wordt een stap, de stille stap
van de kosmos die de zang van alle
bestaansvormen laat horen.

Mysterie van het huidige moment.
Dat is, en is altijd geweest
Mysterie van het huidige moment
Ik ben de dageraad en de zonsondergang
Ik ben de onverstoorbare duinen
Ik ben de woestijnwind
Helemaal vrij
Die de illusies van het hart verheldert
Ik ben de vogel die vliegt en niet droomt van worden
Ik ben de tranen van wanhoop van de mens

Onwetend over zijn ware natuur
Ik ben het lachen, de ondoorgrondelijke zang van het leven
In de overgave van de bloem aan de stralen van de zon
Ik ben man en vrouw
Ik ben een zandkorrel en de onmetelijkheid
Ik ben het eeuwige en het vluchtige              
Ik ben Eén en Alles
Ik ben het contempleren van de Totaliteit
En toch, ben ik niet.