Een eigen weg.
In 1967 zouden Radigue en Arman uit elkaar gaan en ook officieel scheiden. Het was een vriendelijke scheiding; hun verstandhouding zou tot zijn dood in 2005 zeer warm blijven en hij zou ze financieel blijven steunen zodat ze zich kon concentreren op haar muziek.
Het einde van het huwelijk betekende ook haar terugkeer naar Parijs, waar ze haar eigen stijl verder zou ontwikkelen. Ze was de esthetiek van de musique concrète gaan ervaren als te contrastrijk, en vond het interessanter, een toon lange tijd te laten klinken en traag van binnenuit te laten evolueren. In de jaren zestig maakte ze al werken waarin de minuscule veranderingen binnen een stabiele klank te horen waren, die typerend zouden blijven voor haar muziek.
Synthesizer.
In 1970-71 was Radigue composer-in-residence aan de New York University School of the Arts. Ze werkte er met verschillende synthesizers, maar vooral met de ARP 2500, waarvan ze er een kocht en in 1971 mee terugnam naar Parijs. Dertig jaar lang, tot 2000, bleef dit zo goed als haar enige instrument. Ze gebruikte het niet als toetsinstrument, maar werkte rechtstreeks met de oscillatoren, filters, en andere functies om zo uiterst langzaam veranderende elektronische klankvelden op te bouwen.
Kleine verschillen tussen frequenties veroorzaakten zwevingen, pulsen, boventonen en psychoakoestische verschijnselen. De muziek leek soms minutenlang vrijwel stil te staan, terwijl bij geconcentreerd luisteren voortdurend nieuwe details hoorbaar werden. Zelf omschreef ze haar zoektocht als het vinden van een uiterst klein klankgebied waarin ze vervolgens als het ware “onder de huid” ging graven.
Boeddhisme.
Midden jaren zeventig kwam Radigue in aanraking met het Tibetaanse boeddhisme. Zij werd leerling van de Tibetaanse meester Tsuglak Mawe Wangchuk, de tiende Pawo Rinpoche, stopte met muziek maken en besteedde verscheidene jaren zeer intensief aan meditatie en andere praktijken. Uiteindelijk was het haar leraar die haar ertoe aanspoorde opnieuw te gaan componeren.
Vanaf het begin van de jaren tachtig wordt die spirituele achtergrond ook expliciet in haar werk. Les Chants de Milarepa en Jetsun Mila verwijzen naar Milarepa, de elfde-eeuwse Tibetaanse yogi en dichter. Het hoogtepunt van deze periode is de drie uur durende Trilogie de la Mort, bestaande uit Kyema (1988), Kailasha (1991) en Koumé (1993). Het werk is verbonden met het Tibetaanse Dodenboek, met Radigues meditatiepraktijk en met haar ervaringen rond de dood, onder andere het overlijden van haar zoon Yves bij een verkeersongeval in Spanje (1989), en van haar Tibetaanse leraar.